manifest deel 2 2019

    26 05, 2020

    …het schilderen zal op de grond komen want wij zullen moeten landen op aarde; niet boven of tegenover de dingen en verschijnselen, maar er tussen in…
    We pleiten daarom voor een schilderen dat tegen de voeten aanstoot en ons voorbij stroomt, dat ligt en staat als de dingen om ons heen en waar we in kunnen staan en door heen kunnen lopen. We nemen geen afstand. Er is geen afstand. Er staat ons iets gewoons voor ogen. Het kan niet gemeten en niet overzien worden; de verticale blik draait horizontaal en beweegt, loopt mee in een ritme, valt ermee samen en kijkt. Het kijkt alleen. Er staat ons iets gewoons voor ogen. Hoe gebeurt het? Het valt in stukken uiteen en stuitert door de ruimte. Waar gebeurt het? Hier om ons heen; naast ons, voor ons, achter ons; we staan er midden in. We trekken tijd samen en rekken het uit. Wat gebeurt er? Een schilderen dat gewone dingen in de tijd ontvouwd. Een schilderen dat de dingen opent en voor even laat ademen. Een schilderen dat van moment tot moment de dingen beweegt.
    We spreiden het schilderen uit over de grond; onder de tafels en de stoelen door, over de drempel en verder. Wat is het werk? Een kortstondige samenwerking voor even; een samentrekking en openbreking tussen verschillende delen die verder stromen en opnieuw samengaan. Zoals het zelf nergens is en er niets van mij is. Wij schilderen niet, we ontmoeten het. Goedemorgen: hand, handeling, verf, ding. De schilder ontmoet de hand en de hand is een ander. Het menselijk verhaal dat het contrapunt in zich zelf zoekt zijn wij beu. We openen het raam en laten Psycho en Socio los; – kijk – ze vliegen weg; twee vogeltjes in de lentewind. Eindelijk ademen we de wereld in, zoals de wereld ons in- en uitademt. We zijn gelijk aan de verschijnselen om ons heen… en staan in wisselwerking ermee. Deze wisselwerking gaat dwars door de dingen, dwars door de identiteiten, dwars door het zelf. Er is geen zelf, er is geen identiteit, er is geen beeld, er is geen verhaal, er is geen betekenis. Datgene wat het zelf wordt genoemd is niet éen, maar een continue wisselwerking die uiteenvalt, samengaat, krimpt, uitdijt en samenvloeit met alles. We willen de evocatie van de volle tijd, tijd en tijdloosheid ineen en de vreugde. Er is geen verhaal dat we vertellen; er is niet eerst een essentie die op een vertaling of communicatie wacht. Er is helemaal niets eerst. Wij genereren, wij maken, we ontmoeten en pas daarin – in de ontmoeting – gebeurt er misschien iets. Misschien niet, misschien gebeurt er niets, maar dan is het in ieder geval geprobeerd en liever deze poging, dan ons opsluiten binnen een zelf.
    Er staat ons iets gewoons voor ogen.
    Wij pleiten voor een schilderen dat kleur kleur laat worden, vorm vorm, handeling handeling, ding ding. Maar niet als kleur, vorm, handeling of ding, maar steeds als een worden ervan. Een worden dat op de grond gebeurd, dat bezig is zich te kleuren, te vormen daar waar het de wereld ontmoet en er mee samen gaat. Hard worden, zacht worden, langzaam of snel; het maakt ons niet uit: als het maar wordt. Er is alleen maar worden. Er is niets. We kunnen het niet opbrengen om te stellen: dit is (een naam), dit is een vierkant, dit is een vaas, dit ben jij, dit ben ik. De dingen zijn te wijd, te open, voortdurend aan het samen gaan en weer anders om ze onder een naam te brengen. Natuurlijk: ieder beeld is met verbetenheid en de juiste voorstelling voor ogen door te drukken (de wil tot dit of dat), maar ten koste van wat? Er is een werkelijke wil tot macht die tijd zijn werk laat doen, zijn onvoorziene weg laat gaan, iets af laat lopen en doet groeien tot deze specifieke articulatie, tot een gebeuren dat geen naam kan dragen… We pleiten voor een schilderen dat nu aan het gebeuren is, nu aan het worden en waar de beschouwer in het kijken aan mee werkt. We doen een beroep op een kijken dat niet scheidt, geen voorstelling maakt, de dingen en de verschijnselen niet opdeelt in dit of dat, in die of gene identiteit, maar opgaat in de roes van het continu verschijnen van werkelijkheid en beseft dat vrijheid, gelijkheid, broederschap alle verschijnselen betreft en niet alleen een mensensoort. Er schuilt vreugde in dit kijken want de verschijnselen om ons heen glimlachen…

    Waarom schilderen? Waarom niet alleen kijken en opgaan?
    Ja; dat laatste zou ook kunnen. Alleen: schilderen genereert juist kijken, – het produceert kijken. Misschien is schilderen een handeling die laat zien dat het zelf zich uitsmeert over de delen; dat de hand en de handeling anders is, – een ander -, die voor even ontmoet kan worden. De handeling is een ontmoeting die gevonden wordt en ademt tussen wat bepaald kan worden en wat niet. Juist daarom lijkt het iedere waarom-vraag om te draaien. Schilderen gebeurt. De oorzaak blijkt niet relevant te zijn voor wat gebeurt want het gebeuren overstijgt iedere oorzaak, ieder gevolg en dus ook de waarom-vraag. Dit is het werkende, het voortdurend werkende en wordende in het schilderen zoals ook de transparantie van alles – deze eenheid van tijd en tijdloosheid – in het continu werkende schuilt; in het voortdurend samen-gaan en weer open breken.

    Het schilderij valt in stukken uiteen en spreidt zich uit over de grond. De schilder verliest zijn ledematen en vindt ze terug; daar een been, daar een arm…Hij is eindelijk verlost van die verdomde individualiteit, het zelf breekt alle kanten op. Hij kan een hand ontmoeten, een kleur, een gebeuren. Het is niet van hem want ik bestaat niet. Eindelijk kan hij zingen
    een rivier ontspringt…

    Ton Boelhouwer 2019