Ton Boelhouwer

beating around the bushes

tekst paneldebat Bonnefantenmuseum Maastricht 27 november 2014

1
In een museum bestaat geen vaste tijd.
Er is geen film die om een bepaalde tijd begint en langs een lineair tijdsverloop zoveel tijd later afgelopen is.
Er is een ontmoeting van het werk met de beschouwer dat een ander soort tijd genereert.

In een museum hoef ik geen enkele verantwoording af te leggen; de beschouwer kan midden in een film opstaan of twee volstrekt verschillende momenten van ontmoeting aan elkaar relateren.
Werk en beschouwer draaien in het museum om elkaar heen en zijn gelijkwaardig.
De ontmoeting tussen werk en beschouwer bepaald het spel, hun gesprek en de tijd die ze elkaar geven.

Ik spreek liever van werk dan van kunst. Het woord kunst lijkt datgene wat in het werk werkt stil te zetten en achter glas te plaatsen.
Datgene wat in het werk werkt kan intensiteit genoemd worden.
Intensiteit is overal. Je hoeft slechts je ogen open te doen om het te zien en zelfs dat hoeft niet. De intensiteit strekt zich altijd alle kanten uit; voorbij mijn waarneming en blikveld.

In een werk gebeurd deze intensiteit in een geconcentreerde vorm waar een ander soort tijd, -geen duur-, in verzonken ligt.
Een ontmoeting van twee seconden met een werk kan soms een grotere tijd-ervaring geven dan twee uur film.

Vóor dat het werk er is, vóor dat deze geconcentreerde vorm plaats vindt, is er een wildheid.
Deze wildheid mag wat mij betreft ook inspiratie genoemd worden; waarom niet?
Het mooiste vind ik als die wildheid nog te ruiken is maar het is helaas zelden dat ik dat zie. Niet in de vorige Documenta maar in de Documenta daarvoor zag ik de lelijkste schilderijen die ik ooit had gezien; vier of vijf schilderijen van Monica Baer. Maar ik kon enkel blijven kijken; kijken tegen een soort pijn-grens aan. En deze schilderijen waren voor mij: wild. Twee of drie maanden later hingen ze hier in het museum.

Intensiteit in een geconcentreerde vorm is altijd verbonden met een motivatie en een wil en een zin die in de verwezenlijking van het werk doorbreken.
Het is op dit niveau dat een ontmoeting tussen het werk en de beschouwer plaats vindt, er een gesprek ontstaat en er iets op het spel wordt gezet.
Ik vind dat de intensiteit hard en polariserend mag zijn; wat heb ik aan het zoveelste kwalitatief goede werk? Kwaliteit is niet aan de orde. Het woord kwaliteit en het vogelvlucht-perspectief dat daarmee verbonden is suggereren een onthechting die uiteindelijk de werkelijke ontmoeting met de intensiteit uit de weg gaan. Het vogelvlucht-perspectief is naar mijn mening een te gemakkelijke schijntolerantie en een ontkenning van datgene wat het juist wil beschermen.
In de ontmoeting tussen werk en beschouwer hoeft niets beschermd of verdedigd te worden. Er is een gelijkwaardigheid en het is deze gelijkwaardigheid die een werkelijke ontmoeting mogelijk maakt en een beroep doet op de beste vermogens van werk en beschouwer. Wat de beste vermogens zijn is niet te benoemen. Ze zijn in iedere situatie anders en hebben eerder met een inbraak te maken, met een breuk, dan met datgene wat al in het vermogen ligt.

2
In de ‘beating around the bushes’ tentoonstellingen liepen drie verschillende soorten tentoonstellingen op een losse manier door elkaar; solo-tentoonstellingen en collectie-opstellingen die vervolgens onder werden gebracht in vier verschillende inhoudelijke thema-tentoonstellingen.

Van alle soorten tentoonstellingen is de solo-tentoonstelling mij het liefst.
Alles begint bij de maker. Werk is wat de maker aanwijst dat werk is.
Begint alles daar? Nee natuurlijk niet; de kunstenaar is geen marsmannetje of het product van een onbevlekte ontvangenis. Alles dat daar lijkt te beginnen komt voort uit een ontmoeting van de maker met de wereld in de meest brede zin van het woord. Soms kan het werk de ontmoeting zélf zijn. Daarom is hedendaagse kunst (en alle kunst is altijd om te beginnen hedendaags) een debat, – en geen markt. Het is een debat over ideeën van onze tijd. De beschouwer hoeft het niet eens te zijn met de idee van de maker om toch in gesprek te gaan en een zeker genererend leren op gang te zetten. Een werkelijk leren dat Thomas Hirschhorn “An-school” noemde; een wild en anarchistisch genereren van inzichten.

In de collectie-opstelling wordt de cirkel van dit debat ruimer getrokken. Een collectie-opstelling kan verschillende werken van verschillende makers langs elkaar laten schuiven met een mogelijk grotere potentie dan alleen de som der delen. In de laatste Documenta raakte de tocht van Ryan Gander deze strofe uit een liedje (so I’ll just keep on … till I get it right) van Ceal Floyer en de brief van Kai Althoff waarin hij zich verontschuldigde waarom hij niet kon meedoen. In de ontmoeting, aanraking bijna, van deze werken ontstond iets dat de afzonderlijke werken alleen niet hadden kunnen genereren.
Tijdens de ‘beating…’ tentoonstellingen waren er een aantal zeer geslaagde combinaties van werken uit de collectie en een aantal minder geslaagde.
Interessanter dan een opsomming van deze combinaties is de vraag waarom het soms zo lukt en soms niet. Maar als ik over deze vraag nadenk kom ik niet veel verder; er is geen algemeen antwoord op te geven. Het heeft noch met overeenkomsten in het werk te maken, noch met tegenstellingen.
Bij een geslaagde combinatie lijkt het alsof er iets onzichtbaar van het ene werk naar het andere werk wordt door gegeven. Of dat het ene werk iets onzichtbaar in het andere werk voelbaar en manifest maakt.

3
Wellicht zegt dit niet veel meer dan een verschil in kijken en een denken daar vanuit. Waarschijnlijk zijn deze gelukte en/of mislukte combinaties en collectie-opstellingen eerder de onvermijdelijke consequenties van wat ik vanaf het begin juist als buitengewoon positief ervaar in deze serie tentoonstellingen: het open-raggen van de collectie, het omploegen en laten woekeren van het hele veld en alles zoveel mogelijk tegelijkertijd tonen om te zien wat er kan gebeuren. Natuurlijk is het een gigantische taak die het museum zich zelf ten doel stelt en dit wordt dan ook zoveel mogelijk in redelijke banen geleidt door deze vier ‘beating…’ tentoonstellingen op een losse wijze te ordenen langs zekere thema’s.
Is het thema te smal dan wordt de blik vernauwd; is het thema te wijd dan gaat het nergens meer over.
Maar moet het ergens over gaan?
Intensiteit, wildheid, motivatie, wil, zin en verwezenlijking spelen zich in het ongewisse af; daar waar nog niets is. Er wordt niet gespeeld binnen reeds bestaande spelregels maar alles, -werk en spelregels-, worden in éen keer opgeworpen. Slechts achteraf kan de vraag gesteld worden of er iets gebeurd is.
De voorzitter van de KNAW, Hans Clevers, gaf in zijn lezing aan de van Eyck op 28 oktober aan dat fundamenteel wetenschappelijk onderzoek een tasten in het onbekende is dat vervolgens door de fuik van de realiteit moet om geverifieerd te worden als zijnde waar. De waarheid wordt in wetenschappelijk onderzoek achterhaald d.m.v. de realiteit. En dit is het verschil met waar we het hier over hebben: in het tasten in het onbekende dat het werk doet bestaat geen realiteit a priori; er bestaat geen realiteit die reeds aanwezig is en achterhaald zou moeten worden. Er wordt in dit spel daarentegen een nieuwe realiteit gegenereerd maar er is niets buiten deze realiteit waar het voor- of achteraf aan geverifieerd kan worden. In de hedendaagse kunst bestaan geen zekerheden. Er zijn geen thema’s.

Er is een debat van ideeën en hun verwezenlijkingen. Dit debat ontstaat als iedereen die iets te zeggen heeft, zijn hand opsteekt en spreekt ten opzichte van de anderen. En hier schuilt ook de wezenlijke onzekerheid en kwetsbaarheid van het debat. Om deze onzekerheid vóor te zijn, te maskeren en in banen te leiden ontstaat de neiging om vanuit zekerheden en scheidslijnen te denken. Er worden lijnen getrokken tussen de ene soort en de andere soort; er worden reservaten opgericht voor het ene thema en reservaten voor het andere thema. Binnen het reservaat heeft men het gelijk aan zijn zijde; maar daarbuiten…?
Het werkelijke debat tussen ideeën en verwezenlijkingen vindt niet plaats bínnen de verschillende thema’s maar gaat daar dwars door heen. De werkelijke wildheid en inspiratie heeft geen weet van thema’s; het ragt en het ruft en het opent iets dat er voorheen niet was. Het volgt niet de ploeglijnen van het ene veldje of het andere veldje maar woekert alle kanten op; het is een inbraak en een schop die ook de maker voorheen niet kende.
Een bijna onmogelijke taak: niet de categorieën vaststellen en de werken als illustraties van het thema kiezen maar vanuit het werk, – de wildheid en de idee en de verwezenlijking -, zelf denken. En toch is dit wat het werk vraagt.

4
“Wat op elkaar lijkt, verschilt van elkaar. Wat verschillend is, lijkt op elkaar” (Gilles Deleuze: ‘”verschil en herhaling”)
Tijdens de tweede ‘beating’ tentoonstelling liep ik éen van de vleugels van het gebouw binnen en zag voor een kort moment een overzicht van de schilderijen die daar hingen (Rebecca Morris, Mary Heilmann, Laura Owens). Alles werkte mooi en prettig samen. Totdat ik mij omdraaide en een beetje nietsig velletje tegen de muur geniet zag met twee keer het woord ‘test’ er op geschreven en wat witte verf (Robert Ryman). In een flits realiseerde ik mij dat dit niet werkte met het andere werk. Dat wat wellicht op het eerste oog op elkaar leek, bleek ten diepste verschillend te zijn. Dit wat grauwige ding trok een scheur dwars door de ruimte.
Met dit werk als voorbeeld kom ik terug op het woord zin. Met zin bedoel ik geen betekenis. Het woord betekenis roept altijd een verwoorden in taal op die de werkelijke zin van het werk tekort doet en zelfs kan ombuigen. De zin van het werk is politiek in de werkelijke zin van dat woord: sprekend vanuit een idee van zingeving. Het werk spreekt. Gepraat, gepraat over kwaliteit en gepraat over theorie en gepraat over de kunstmarkt en misschien zelfs gepraat óver het werk, kan dit ontkennen.
Dat wat misschien een zeker continuüm in de schilderkunst toonde bleek juist een scherpe tegenstelling te zijn. Het werkje van Ryman is een van tevoren ongewis gevolg van een proces. De dobbelsteen is gegooid en daar tot stilstand gekomen. In het werk van Heilmann, Morris en Owens wordt er een voorstelling in elkaar gezet, -figuratief, abstract, anything. De eerste hoeft geen beeld te zijn; de tweede vindt juist zijn legitimatie daarin. De eerste heeft geen weet van kwaliteit want het proces kan alle kanten op gaan; de tweede bevestigd kwaliteit. De eerste pakt uit; de tweede pakt in. De zin van het werk is vreemd aan elkaar.
En ik vraag mij af: trekt dit nietige en wat stuntelige werkje zelfs een barst in dit gebouw van Rossi dat m.i. een voorstelling van een gebouw is; d.w.z: de voorstelling van de toren, de voorstelling van de trap, de voorstelling van het museum? Misschien kom ik dan een stap dichter bij de reserve die ik persoonlijk ervaar bij een bepaald gedeelte van het werk in deze tentoonstellingen. Deze reserve betreft, in het verlengde van het gebouw, de opvoering van voorstellingen: een voorstelling van abstractie, een voorstelling van figuratie, en een voorstelling van sociaal engagement. Is er een relatie met een politiek die vanuit de voorstelling van een identiteit spreekt? Is dit de huiver om de werkelijke wildheid en hitte op te zoeken, – daar waar niets is -, en, inderdaad, om de hete brei heen blijft draaien in een eindeloze stoet van voorstellingen?

Ik trek twee momenten in de tijd samen; dwars door de verschillende ‘beating’ tentoonstellingen. Ik hang het werkje van Ryman tegenover de installatie van Hirschhorn. Wat kan mij de schilderkunst schelen met zijn al te lang herhaalde deuntje van beeld en kwaliteit; wat kan mij de sociaal-geëngageerde kunst schelen met zijn al te menselijke goede bedoelingen. Twee werken breng ik samen en in de onzichtbaarheid die ontstaat is gerommel en wildheid.

Ton Boelhouwer
november 2014